

Homo-acceptatie jongeren is de afgelopen jaren sterk afgenomen, vooral onder jongens op de middelbare school. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Trimbos-instituut en de Universiteit Utrecht. Tussen 2021 en 2025 is het aandeel jongens met een positieve houding tegenover homoseksualiteit bijna gehalveerd. Het COC noemt de ontwikkeling schrikbarend.
Het onderzoek maakt onderdeel uit van een internationaal onderzoek naar de gezondheid en het welzijn van jongeren. Dat onderzoek wordt iedere vier jaar uitgevoerd in vrijwel alle Europese landen. De Nederlandse cijfers laten een duidelijke verandering zien in de houding van jongeren tegenover homoseksualiteit.
De grootste verandering is zichtbaar bij jongens op de middelbare school. In 2021 had ongeveer 40 procent van de jongens een positieve houding tegenover homoseksualiteit. In 2025 was dat nog 22 procent. Daarmee is het percentage in vier jaar tijd bijna gehalveerd. Volgens Philip Tijsma van COC Nederland zijn de cijfers aanleiding tot grote zorgen. Hij zegt dat de organisatie niet volledig verrast is door de ontwikkeling, maar wel opnieuw is geschrokken van de omvang van de daling. Het COC houdt zich onder meer bezig met belangenbehartiging voor lhbti+ personen en geeft voorlichting op scholen. Volgens de organisatie is het belangrijk om beter te begrijpen waarom de houding onder met name jongens zo sterk verandert.
De landelijke cijfers sluiten aan bij eerdere ontwikkelingen in Amsterdam. Uit onderzoek van de GGD uit 2023 bleek dat 32 procent van de Amsterdamse jongens tussen de 13 en 16 jaar het normaal vond dat twee mensen van hetzelfde geslacht verliefd op elkaar zijn. Ook toen leidde de uitkomst tot discussie binnen de Amsterdamse gemeenteraad. Verschillende politieke partijen spraken over een zogenoemde 'conservatieve wind' die niet alleen in Nederland, maar in meerdere Europese landen zichtbaar zou zijn.
De Amsterdamse cijfers lieten bovendien grote verschillen tussen scholen zien. Op sommige scholen lag de acceptatie volgens het onderzoek rond de 89 procent, terwijl dit op andere scholen slechts 9 procent was. Dat verschil laat zien dat de omgeving waarin jongeren opgroeien en onderwijs volgen mogelijk een belangrijke rol speelt.
Een van de factoren die in het onderzoek en door deskundigen wordt genoemd, is de invloed van sociale media. Jongeren brengen veel tijd door op platforms waarop berichten en video's zich snel kunnen verspreiden. Daardoor kunnen zij relatief gemakkelijk in aanraking komen met uiteenlopende opvattingen over seksualiteit, gender en relaties. Tijsma van het COC wijst erop dat bepaalde groepen die traditioneel negatiever tegenover homoseksualiteit staan, zoals sommige religieuze of conservatieve groepen, niet ineens veel groter zijn geworden. Volgens hem moet daarom ook worden gekeken naar veranderingen in de online omgeving van jongeren.
Sociale media kunnen daarbij een versterkende werking hebben. Jongeren die bepaalde video's bekijken, kunnen vervolgens steeds meer vergelijkbare content aangeboden krijgen. Hierdoor kunnen bepaalde opvattingen vaker en nadrukkelijker voorbij komen.
In het onderzoek wordt ook de zogenoemde manosfeer genoemd. Daarmee wordt een verzameling van online gemeenschappen en influencers bedoeld die zich onder meer bezighouden met opvattingen over mannelijkheid, genderrollen en relaties. Een bekende naam die in dit verband regelmatig wordt genoemd is Andrew Tate. Hij heeft een groot online bereik onder met name jonge mannen en heeft zich in het verleden regelmatig uitgesproken over genderrollen en homoseksualiteit.
Volgens het COC kunnen jongeren binnen dergelijke online omgevingen negatieve boodschappen over homoseksualiteit en traditionele ideeën over mannelijkheid tegenkomen. De organisatie ziet daarin een mogelijke verklaring voor een deel van de veranderende houding onder jongens. Dat betekent niet dat sociale media als enige oorzaak van de daling kunnen worden aangewezen. De onderzoekers kijken naar verschillende factoren en de precieze oorzaken van de ontwikkeling zijn niet eenvoudig vast te stellen.
De Amsterdamse onderzoeken laten daarnaast zien dat homo-acceptatie jongeren niet overal op dezelfde manier ontwikkelt. De verschillen tussen scholen waren in het eerdere onderzoek opvallend groot. Op scholen waar homoseksualiteit en andere lhbti+-onderwerpen vaker bespreekbaar zijn, kunnen jongeren andere opvattingen ontwikkelen dan op scholen waar dergelijke onderwerpen minder aan bod komen. Ook de sociale omgeving, vriendenkring en invloed van online content kunnen daarbij een rol spelen. De cijfers betekenen bovendien niet dat alle jongeren negatiever zijn geworden. Het gaat om een algemene ontwikkeling in bepaalde groepen, waarbij vooral de daling onder jongens opvalt.
Voor Amsterdam zijn er nog geen nieuwe cijfers beschikbaar. De GGD is momenteel bezig met nieuw onderzoek naar homo-acceptatie onder Amsterdamse jongeren. De resultaten daarvan worden naar verwachting in 2027 gepubliceerd. Die nieuwe cijfers kunnen duidelijk maken of de ontwikkeling uit 2023 zich heeft voortgezet. Ook kunnen ze inzicht geven in verschillen tussen leeftijdsgroepen, scholen en stadsdelen.
De landelijke cijfers uit 2025 zorgen ondertussen voor nieuwe aandacht voor de manier waarop jongeren omgaan met homoseksualiteit. Vooral de sterke daling onder jongens zorgt voor vragen over de invloed van sociale media, online influencers en de omgeving waarin jongeren opgroeien. De komende Amsterdamse cijfers moeten meer duidelijkheid geven over de vraag of de landelijke ontwikkeling ook in de hoofdstad zichtbaar blijft.
Begroting Amsterdam 2027: weinig ruimte voor nieuwe investeringen. Lees hier meer!