Rijks en Amsterdam Museum moeten pronkstukken teruggeven aan erfgenamen Joodse vrouw

Het Rijksmuseum en het Amsterdam Museum moeten afstand doen van vier kostbare pronkstukken De vier zeventiende-eeuwse zoutvaten van kunstenaar Johannes Lutma moeten terug naar de nabestaanden van de Duits-Joodse Emma Budge (1852-1937).

De kunstwerken zijn in 1937, kort na haar dood en tegen haar laatste wil in, geveild in Berlijn.

“Budge had na de machtsovername door de nazi’s in Duitsland een aantal wilsbeschikkingen laten opstellen met betrekking tot de bestemming en verkoop van haar kunstverzameling. De door haar benoemde Joodse executeurs-testamentair konden hier na haar dood in 1937 geen uitvoering aan geven”, oordeelt de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.

De vier zoutvaten kwamen via een aantal bezitsovergangen in 1960 terecht bij veilinghuis Frederik Muller in Amsterdam, waar de gemeente Amsterdam ze aankocht. Een paar werd verkocht aan de Staat ten behoeve van het Rijksmuseum. Het Amsterdam Museum kreeg het andere paar zoutvaten van de gemeente in beheer.

“De Joodse burgers is bezit, rechten, waardigheid en in veel gevallen het leven afgenomen. Voor zover nog iets hersteld kan worden van het grote onrecht dat hen is aangedaan, hebben we als samenleving de morele plicht hiernaar te handelen. Dat geldt zeker voor de vele kunstwerken die in bezit waren van Joodse burgers en geroofd werden door nazi’s of op een andere manier uit bezit zijn geraakt van de eigenaren”, aldus wethouder Touria Meliani (Kunst en Cultuur).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *